
Een glimmend zwart jurkje zit bijzonder strak om haar bilpartij. Het oogt allemaal zo goed als vacuüm verpakt en hierdoor kunnen de aanwezige lelijke vrouwen haar overduidelijk niet luchten. Het mysterieuze roodharige meisje maakt met behulp van wat vingers een ‘v’ en plaatst deze nonchalant tegen haar lippen. Of ze verlangt naar een sigaret of ze heeft zin in voorspel, het universele handgebaar voor ’sigaretje?’ is naar mijn mening verre van glashelder. Ze dartelt haastig over de dansvloer en ik volg enthousiast. Het scharlakenrode haar komt praktisch tot haar stuitje en ik besef opeens dat ik nog nooit een roodharige vrouw heb gehad.
Ik heb ze altijd wel aantrekkelijk gevonden, maar aan de andere kant hebben roodharige vrouwen iets onheilspellends. In mijn jeugd had je twee roodharige tv-personages, de onhandige kat van Gargamel, Azraël en het aan drugs verslaafde weeskindje Pippi Langkous. Niet echt de meest ideale uithangborden voor de haarkleur die al net zo populair was als spinazie. Natuurlijk deed Popeye wel zijn best voor de snelgroeiende bladgroente, maar ik weigerde in die tijd ook maar iets aan te nemen van een zeeman die verliefd was op de allereerste anorexia-patiënt ooit. Naast de valse kat en het Zweedse heroïnehoertje is en blijft rood gewoon een hele tegenstrijdige kleur. Het is de kleur van de liefde, maar tegelijkertijd is het de kleur van stilstand. Het is de kleur van mijn favoriete voetbalclub, maar het is ook de kleur van een pak karnemelk of een reep pure chocolade. Rood is grillig, onbetrouwbaar, gevaarlijk en misschien daarom juist wel zo verdomd verleidelijk.
De rookruimte staat blauw, ze staart naar mijn glazen bier. ‘Waarom heb je eigenlijk twee biertjes in je handen en waarom is de ene groter dan de andere?’ ‘Ik kan nu gaan beweren dat het een reden heeft en dat ik het ‘Matroesjka’-biertjes noem. Dit omdat ik straks als het grote glas helemaal leeg is, ik de volle kleine in zijn geheel in de grote deponeer, maar dat is niet zo. Ik ben gewoon een ordinaire zuiplap.’ Gewapend met een stoïcijnse blik neemt ze nog een slok van haar witte wijn, ‘misschien klinkt het wat raar, maar ik heb zojuist besloten dat wij straks gaan neuken.’ ‘Vanwaar die haast? Ik ken je net vijftien minuten en oké in mijn hoofd heb ik je al meer dan twintig keer geneukt, maar jij bent zo’n zeldzaam mooie vrouw voor wie mannen met alle liefde hun zaad een paar dagen willen opsparen. Niet dat ik niet aan je ketchuprode haar wil trekken en mijn levensmayo over je onderrug wil zien vloeien, maar nog voor het bereiden van die ietwat simpele cocktailsaus wil ik je wat beter leren kennen.’ Ze kijkt bedenkelijk, ‘ik wist het wel, jij bent zo’n Grote Smurf man.’ ‘Pardon?’ ‘Niet veel mensen weten dat de Smurfin oorspronkelijk een product van Gargamel was, een valstrik op hakjes, maar Grote Smurf heeft met al zijn goedheid en liefde een normale smurf van Smurfin weten te maken.’ Ik lach, ‘misschien heb je wel gelijk, ik ben een expert in het onschadelijk maken van seksbommen. Van die bommen maak ik dan een tostiapparaat en niet veel later neuk ik dan dat tostiapparaat kapot.’ Ze glimlacht, ‘jij bent een hele rare zorgwekkende man.’ ‘Jij bent een hele rare zorgwekkende vrouw.’ ‘Precies en daarom gaan wij straks hele rare zorgwekkende seks hebben.’
Normaliter ben ik niet zo van het zoenen op de dansvloer, althans niet gratis. Niet dat ik een gigolo ben, maar let maar eens goed op. Als twee mensen innig staan te zoenen op de dansvloer besluiten veel hopeloze niet-zoeners dat het tijd is voor een sterk drankje. Dus de baromzet stijgt aanzienlijk dankzij onze lippen, waardoor wij, de zoeners, minimaal recht hebben op 10%. Wijlen Arne Jansen had het er in zijn grootste hit al herhaaldelijk over, maar zijn zoetsappige Avrobode ode komt niet eens in de buurt van hoe deze roodharige vrouw zoent. Menig ex is van mening dat ik zoen als een lama met het syndroom van Down, maar mijn huidige danspartner is letterlijk mijn gezicht aan het pijpen. Het is dierlijk, het is schaamteloos en het is bijzonder verfrissend in een tijd waarin de minimalistische filmkus hoogtijdagen viert. Een vriend die even verderop stond beschreef onze manier van zoenen een paar dagen later als weerwolvenporno.
Volle maan of niet, ik wil ieder sproetje op haar lelieblanke lichaam likken en dan kan die taxichauffeur wel afkeurend naar mij kijken, de roodharige kleuterschoollerares heeft mij gewoonweg in haar greep. Ze hoeft mij maar aan te kijken en ik krijg het warm, ‘flikker op met die infrarood shit van je. Nu snap ik waarom ze jullie in de Middeleeuwen veelal op de brandstapel kukelden, jullie hebben echt speciale krachten, en ik maar denken dat Pippi Langkous bullshit was.’ Ze stapt uit terwijl ik de taxichauffeur nog even betaal. Hij kijkt overstuur, ‘ik zou het niet doen als ik jou was. In mijn land heb je een gezegde: als je sekst met de duivel zit er altijd wel een vork in de weg.’ Ik lach, ‘in mijn buurt heb je ook een gezegde: als een taxichauffeur slecht over je meisje praat geef je die lul zes euro en zesenzestig cent fooi.’
Ze loopt voor mij de trap op, ik kan haar onderbroek zien, ‘ik kan je onderbroek zien.’ Ze draait zichzelf om en ploft neer op de trap. Nog geen vier tellen later sta ik met haar onderbroek in mijn handen, ze staat op en loopt verder naar boven. ‘Ik kan je kut zien,’ haar meisjesachtige gegiechel is het startschot voor ongegeneerde en kronkelige trappenhuis-seks. Ze kreunt veel te hard, maar het kan me niets schelen. Fok de buren, fok iedereen, ‘wow, onze eerste keer lijkt op een prent van M.C. Escher,’ fluister ik hijgerig in haar oor.
Inmiddels zijn we alweer twee weken verder en het gaat opperbest tussen Grote Smurf en Azraël. Ze is simpelweg uniek, zo is ze bijvoorbeeld verslaafd aan douchen. We douchen minimaal vijf keer per dag. Mijn huid is kurkdroog en Nuon is onze grootste fan, maar ik vind het allemaal best. Alleen begon ze zich na een tijdje te storen aan mijn gespuug in de douche, ja, ik mag graag speeksel sproeien tijdens een stortbad. Dus nu stopt ze iedere keer als we de douche instappen wat muntdrop in mijn mond. In het begin wilde ik nog wel eens spugen, puur uit gewoonte, maar dropspeeksel is plakkerig zwart spul en niemand wil erbij lopen als een dalmatiër. Mijn eerste roodharige vrouw ooit is een blijvertje, totdat ik een Eskimovrouw tegenkom natuurlijk. Pas dan is mijn indrukwekkende collectie namelijk compleet. Die iglo komt nog wel, maar tot die tijd is mijn vuurtoren het zonnetje in huis.

