
Volgende week word ik achtentachtig, maar het is nog maar de vraag of ik dat ga halen. In mijn hoofd zit een tumor, de dokter zegt dat ie net zo groot is als een tennisbal en daarom heb ik mijn bosjes oorhaar fel groen geverfd. Mijn kleinkinderen denken dus echt dat er een tennisbal in mijn hoofd zit en daar ben ik blij om. Eigenlijk zit er een kwaadaardig kankergezwel in mijn hersenen, maar daar wil ik het helemaal niet meer over hebben. Het laatste boek ging namelijk over mijn strijd tegen kanker en dat was een flop van jewelste. Sinds Kluun zit niemand blijkbaar meer op kankerliteratuur te wachten, Nederland is dankzij hem al bijna zestig jaar kankermoe en hierdoor zijn er maar tweeduizend exemplaren van ‘Geef mij maar dubbel d’s in plaats van de grote k’ verkocht.
Mijn privé-zuster fluistert in mijn oren dat vandaag naar alle waarschijnlijkheid mijn allerlaatste dag zal worden. Ik knijp in haar kont. Tot zo’n twee maanden geleden was dat gebarentaal voor orale seks, de medicinale variant wel te verstaan, maar ik krijg mijn goedaardige gezwel helaas niet meer omhoog. Sindsdien ben ik heel snel achteruit gegaan. Een man die geen stijve kan krijgen van een abnormaal geile zuster van zestig jaar jonger is simpelweg geen man meer. Ik ben mezelf niet, als ik in de ochtend voor de spiegel sta herken ik alleen nog maar mijn ogen, de rest van mijn lichaam is allang dood.
De kleinkinderen zuigen aan een raket, ik stoor me aan hun gesmak maar zeg er niets van. Die arme schatten staan in de koelcel van mijn grachtenpand, een beetje te kijken naar opa die langzaam sterft. Het was altijd al mijn droom om dood te gaan in een koelcel, alle familie om het bed heen en gaan met die banaan. Oké het is een paar graden onder nul en we worden omringd door dozen bitterballen en frambozenijs, maar ik wil gewoon dat ze daadwerkelijk mijn laatste adem kunnen zien. En als dat ene laatste vermoeide wolkje over mijn lippen struikelt, tja, dan zien al mijn overgebleven vrienden en familie dat ik mijn lichaam via de mond verlaat.
Ik ben dood en zit ongeduldig te wachten op het moment dat mijn leven aan mij voorbij flitst, maar er komt niets. Gedurende mijn leven geloofde ik altijd in het feit dat een reeds overleden geliefde alle leuke momenten voor je opneemt. Zoals wij vroeger bij de radio zaten, met de vinger op de recordknop voor de leuke nieuwe nummers, zo zit die geliefde dan ook. Aan de andere kant kan ik nu natuurlijk niet gaan verwachten dat mijn opa opeens op me afstapt met 500 gieg aan beeldmateriaal van mij in zijn handen. In plaats van mijn greatest hits krijg ik mijn begrafenis te zien.
Ik lig in een open kist, draag een roze pak en een belachelijke duimring, uit de boxen komt Club Tropicana van Wham en ik snap het al. Mijn twee dochters wilde altijd heel graag gaan studeren, maar ik heb met hun studiegeld mijn zesde huwelijk gefinancierd. Dat ik er nu bij lig als een homoseksuele leeuwentemmer is hun wraak, daar kan ik wel mee leven. Als ze maar geen nummer van Marco Borsato draaien vind ik alles best. Ik haat Marco en Marco haat mij. Zo’n vijftig jaar geleden heb ik zijn vrouw, Leontine Borsato-Ruiters, geneukt tijdens de TMF Awards. Zij was erg te spreken over mijn bestseller ‘Als een paal boven water,’ een semi-autobiografische erotische thriller over mijn tijd als badmeester in Portugal, en zodoende hebben wij toen keihard geneukt in de kleedkamer van de Sugababes. Uiteindelijk kwam Marco erachter en nam het rake nummer ‘Waarom nou hem’ op. Heel Nederland koos de kant van Borsato en ik vluchtte naar Sierra Leone. Verre van een leuk vakantieland, maar ik deed het alleen maar om Marco en zijn War Child organisatie te kutten. Tijdens mijn verblijf in Afrika heb ik namelijk voor 20.000 kleuters een kalashnikov gekocht.
Op de eerste rij zitten al mijn voormalige geliefden, mijn uitgever en mijn zus. De exen kijken verdrietig, de uitgever kijkt rijk en mijn zus doet een plasje in haar luier. Ergens op de laatste rij zit een journalist van Het Parool, ik ga achter hem staan. Op zijn blocnote staan een tweetal zinnen, ‘James Worthy komt pas uit de kast in zijn kist,’ en ‘Borsato (101) ook aanwezig op begrafenis aartsrivaal Worthy.’ Wat? Ik kijk links, ik kijk rechts en daar zit ie hoor, die godverdomme kut Italiaan. Ik schraap mijn keel en stuur een rochel in de richting van zijn kruin. Mijn spuug gaat door hem heen en niet veel later mijn slappe straal urine ook. Marco staat op, hij lacht. Zijn vierde, vijfde en zesde kind zijn allemaal van mij, ik lach. Hij gaat toch niet zingen hè? Livemuziek op mijn begrafenis? Ik geef mijn kleinkinderen een kus en verlaat het pand. In de verte hoor ik Borsato beginnen aan ‘Wat zou je doen,’ de smakeloze vermicelli-lul. Wat een wanvertoning, dat ik een tennisbal in mijn hoofd heb wil toch niet gelijk zeggen dat je mij op deze manier moet afserveren..
P.S. Ben je toevallig aanwezig op mijn begrafenis in 2067, zet dan even dit nummer op en haal die belachelijke duimring van mijn duim. Alvast bedankt.

